Datamodel op hoofdlijnen
Geen volledige tabellenlijst, maar de conceptuele structuur: welke entiteiten bestaan er en hoe hangen ze samen.
De lagen
Tenantlaag. Een tenant is een organisatie of adviesbureau met een eigen afgeschermde omgeving, eigen huisstijl en eigen configuratie. Gebruikers horen bij precies één tenant, met een rol.
Canvas. De centrale werkeenheid: één opdracht, één klant. Alles wat je invult hangt aan een canvas, dat op zijn beurt aan een tenant hangt. Daaronder vallen de geüploade documenten en de daaruit afgeleide tekstblokken met hun betekenisrepresentatie.
Werkbladdata. Elk domein — klanten, processen, mensen, IT, verandering, strategie — heeft een eigen set tabellen. Bewust niet één generiek model: de domeinen verschillen wezenlijk, en een geforceerde generieke opzet zou elk werkblad slechter maken. Wel volgen ze allemaal hetzelfde autorisatiepatroon.
Vermogenslaag. Vermogens, hun clustering, en de gaps tussen huidig en gewenst niveau. Aan een gap hangt bewijs — verwijzingen naar bestaande pijnpunttabellen uit de werkbladen — en dekking in de vorm van initiatieven.
Rapportagelaag. Een rapportdefinitie bevat secties, een sectie bevat blokken. Een tekstblok draagt zowel de gegenereerde als de geredigeerde versie, plus de bronverwijzingen. Elke export wordt bewaard als momentopname.
Ondersteunend. Achtergrondtaken met status en voortgang; verbruiksregistratie per AI-aanroep; en een centrale configuratietabel voor labels en prompts.
Twee ontwerpprincipes
Bestaande structuren hergebruiken in plaats van dupliceren. De bewijskoppeling van de vermogenslaag verwijst naar de pijnpunttabellen die de werkbladen al vullen. Er is geen tweede, parallelle waarheid over wat er misgaat in de organisatie.
Uitsluitend additief uitbreiden. Zowel de vermogenslaag als de rapportage-engine zijn zo ontworpen dat ze bestaande tabellen niet wijzigen, alleen aanvullen. Werkbladen blijven de bron van waarheid; de rapportage leest en schrijft nooit terug. Dat houdt latere wijzigingen goedkoop en het risico op regressies laag.
Configuratie boven code
Labels, prompts en methodiekterminologie staan in de database, niet in de code — met een standaardwaarde en een optionele variant per tenant. Daardoor kan een organisatie de eigen taal en het eigen framework voeren zonder dat er een regel code verandert.